fbpx Ga naar hoofdinhoud

Herstel woongebouw voor rekening opdrachtgever

Een uit twee identieke woongebouwen bestaand appartementencomplex vertoont enige tijd na oplevering gebreken. Zowel in de buitengevels als in de binnenwanden van de appartementen ontstaan scheuren. Op advies van de constructeur brengt de aannemer in de jaren daarna extra dilatatievoegen aan. Verder vervangt hij stenen.

Een jaar later doet een bureau in opdracht van de Vereniging van Eigenaren verslag over de oorzaak van de problemen. Dit is voor de VvE aanleiding via het Garantie Instituut Woningbouw (GIW) herstel te vorderen. Volgens een deskundige van het GIW is in een aantal gevallen niet voldaan aan de GIW-garantienorm. Op basis hiervan stelt het GIW de opdrachtgever aansprakelijk voor onder meer de scheurvorming in de buitengevels inclusief de loggia’s en die in de binnenwanden van de penthouses.

De opdrachtgever moet ervoor zorgen dat het complex binnen vier maanden alsnog aan de garantienormen voldoet. Een aantal klachten wijst het GIW af, omdat de VvE die niet binnen de garantietermijn heeft gemeld of deze hier buiten vielen. De aannemer is bereid de door de GIW aangegeven werkzaamheden te verrichten mits de opdrachtgever betaalt. Die meent echter aanspraak te maken op kosteloos herstel.

Vordering

Via de Raad van Arbitrage wil de opdrachtgever voor elkaar krijgen dat de aannemer de door de GIW aangegeven herstelwerkzaamheden uitvoert, zodat het complex alsnog voldoet aan de garantienormen. Daarbij beroept de opdrachtgever zich op het bestek waarin garanties zijn opgenomen voor de waterdichtheid van de buitengevels en de isolatiewaarde van de spouwisolatie. Hij vindt dat de aannemer (verborgen) gebreken in het werk moet herstellen. Maar die denkt daar anders over en wijst de vordering af.

De scheurvorming is niet veroorzaakt door een fout van zijn kant. De reeds door hem uitgevoerde herstelwerkzaamheden heeft hij coulancehalve verricht. De gebreken waar het nu om gaat, heeft de opdrachtgever niet eerder gemeld. Tevens doet hij een beroep op de verjaringstermijn volgens artikel 7:761 BW (2 jaar) en de vervaltermijn volgens paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 (5 jaar). De gebreken vallen volgens hem niet onder de garantiebepalingen waarnaar de opdrachtgever verwijst. Ten slotte vindt de aannemer de vordering onredelijk en niet billijk.

Niet waterdicht

De opdrachtgever denkt dat de gevels door de scheurvorming niet meer waterdicht zijn en gevoelig zijn voor vocht en vorstschade. Daarnaast meent hij dat de spouwisolatie door de scheuren onvoldoende functioneert. Het is de arbiters echter niet gebleken dat de buitengevels niet meer waterdicht zijn of dat vorstschade is opgetreden. De VvE of afzonderlijke bewoners hebben hierover niet geklaagd.

De aannemer heeft aangegeven dat de buitengevels bestaan uit een buiten- en een binnenblad met daartussenin een spouw. Mocht het buitenblad van de wand al niet waterdicht zijn, dan betekent dit niet dat de buitengevel water doorlaat. Evenmin heeft de opdrachtgever kenbaar gemaakt dat de spouwisolatie door de scheuren onvoldoende is. Uit het voorgaande blijkt dus niet dat de aannemer zijn garantieverplichting niet is nagekomen.

Vaststaat dat de scheurvorming na de oplevering is opgetreden. Dat sprake is van een ernstig gebrek blijkt nergens uit. De arbiters gaan er om die reden van uit dat sprake is van een verborgen gebrek zoals omschreven in paragraaf 12 lid 1 van de UVA 1989. Indien een vordering vanwege een verborgen gebrek na het verstrijken van de onderhoudstermijn wordt ingediend, is deze niet meer ontvankelijk.

De vordering in kwestie is ruim na het verstrijken van deze termijn ingediend. Dat is dus te laat. De aannemer heeft ook niet dusdanig substantiële herstelwerkzaamheden verricht dat op die onderdelen een nieuwe vervaltermijn is gaan lopen. En in tegenstelling tot hetgeen de opdrachtgever beweert, is van een concrete toezegging van de aannemer om de gebreken voor eigen rekening te herstellen, geen sprake. Ook het feit dat de opdrachtgever en de aannemer samen de klachten hebben onderzocht en de naar de VvE te versturen brieven onderling hebben afgestemd, rechtvaardigt dit vertrouwen niet.

Kosten

Op grond van het bovenstaande is de vordering van de opdrachtgever niet ontvankelijk. Als de in het ongelijk gestelde partij betaalt de opdrachtgever de proceskosten evenals een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van de aannemer.

Geschilnummer: 32.735

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Eén reactie op “Herstel woongebouw voor rekening opdrachtgever

  • Bij “herstel woongebouw voor rekening opdrachtgever”. Moet ik hieruit begrijpen dat als er sprake is van een onderhoudstermijn, een verborgen gebrek niet ontvankelijk is, als dit zich na het verstrijken van de onderhoustermijn manifesteert?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.