Ga naar hoofdinhoud

Natuurstenen tegelvloer met gebreken

Een aannemer legt als meerwerk een natuurstenen vloer op de begane grond van een nieuwbouwwoning. De beschadigde randen van de tegels, de ongelijke voegbreedtes en slecht uitgevoerd voegwerk laten de opdrachtgever na oplevering vertwijfeld achter. Hij eist herstel door de tekortgeschoten vakman.

Er is tussen partijen onenigheid ontstaan over de vraag of de aannemer de plicht had om de opdrachtgever te waarschuwen voor de beschadigde tegelranden. Wie waren er overigens al bij aflevering van de tegels. De opdrachtgever vindt uiteraard van wel. Nu de tegels zijn verwerkt, is het voor hem onmogelijk geworden om de leverancier aan te spreken. Er moeten bovendien kosten worden gemaakt om de natuurstenen vloer in de oorspronkelijk beoogde staat te brengen. De aannemer betwist zijn waarschuwingsplicht.

Niet deugdelijk

Tijdens de bezichtiging onderwerpt de arbiter de tegelvloer aan een grondige inspectie. Het algemene beeld komt volgens hem overeen met het beeld dat je bij de toepassing van dit soort tegels mag verwachten. De aannemer heeft de opdrachtgever voor aanvang van het werk dan ook niet hoeven waarschuwen.

De klant stelt ook dat de natuurstenen tegelvloer niet deugdelijk is aangebracht aangezien er sprake is van ongelijke voegbreedtes. De arbiter concludeert dat er ten aanzien van de verwerking aan de eisen van goed en deugdelijk werk wordt voldaan. Voor zover er ongelijke voegbreedtes zijn, is dit een gevolg van de gekozen tegels. Hij wijst de vordering op dit onderdeel af.

Tot slot struikelt de opdrachtgever over de manier waarop het voegwerk van de tegelvloer is aangebracht. Er ontbreken stukken en plaatselijk zijn de voegen onvoldoende gevuld. De arbiter stelt vast dat enkele voegen inderdaad onvoldoende gevuld zijn en het voegwerk hier en daar ontbreekt. Aan het voegwerk is te zien dat dit in de loop van de tijd is gebeurd, zodat dit niet bij oplevering had kunnen worden opgemerkt. De exacte oorzaak van het verborgen gebrek is moeilijk te achterhalen. Omdat de klacht vrij snel na oplevering bij de aannemer is gemeld, acht de arbiter het aannemelijk dat deze is gelegen in de wijze van verwerking door de vakman.

Het voegwerk moet worden hersteld naar de eigen van goed en deugdelijk werk. De arbiter verbindt hieraan een termijn van acht weken. Vervolgens veroordeelt hij de opdrachtgever tot betaling van 80 procent van de arbitragekosten à 6.737,28 euro. De aannemer krijgt 20 procent voor zijn kiezen.

Geschilnummer 80.152

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.