fbpx Ga naar hoofdinhoud

Pand voldoende brandwerend

Onderdeel van de renovatie van een kantoorpand vormt de levering en montage van een gevelconstructie. Na de oplevering blijkt het kantoorgebouw echter niet te voldoen aan de hiervoor gestelde brandwerendheidseisen. De opdrachtgever stelt de aannemer hiervoor aansprakelijk. Hij moet het werk alsnog conform de eisen uitvoeren. Maar deze wijst de vordering af.

In zijn optiek voldoet de gevel wel degelijk aan de destijds geldende brandwerendheidseisen. In het bijzijn van de opdrachtgever, diens architect en adviseur, alsmede de hoofdaannemer, zijn de door de aannemer vervaardigde tekeningen met de gemeente en de brandweer besproken. Laatstgenoemden hebben deze tekeningen goedgekeurd. Van een gebrek is volgens de aannemer geen sprake. De opdrachtgever heeft daarom geen recht op garantie.

Brandwerendheid vloeraansluiting
De opdrachtgever heeft twee deskundigen de brandwerendheid van de vloeraansluiting laten onderzoeken. De bij de overeenkomst behorende detailtekening vormt daarbij de leidraad. Daarnaast hebben beide deskundigen ter plekke de bovenste etage en de verdieping eronder aan een inspectie onderworpen. Naar het oordeel van deze experts voldoet het betreffende detail niet aan de brandwerendheidseis van 60 minuten. Vooral doordat de ruimte tussen de betonvloer en de gevel niet is opgevuld met bijvoorbeeld steenwol. Ook is de aansluiting niet afgesloten met een staalplaat of calciumsilicaatplaat. Bij brand zal het vuur in deze ruimte vrij spel hebben en gemakkelijk overslaan van de ene naar de andere verdieping.

De aannemer bestrijdt de inhoud van de deskundigenrapporten. Zelf heeft hij ook onderzoek laten doen door twee medewerkers van de holding waartoe de aannemer behoort. Daarnaast heeft hij een onderzoeksbureau ingeschakeld. In de door hen opgestelde rapporten concluderen deze deskundigen dat de door de aannemer aangebrachte staalplaat deel uitmaakt van de gevel. Op basis van NEN 6068 geldt voor het bezwijken ervan dan 30 minuten. Het aansluitdetail voldoet aan die norm, aldus de aannemer.

Geen waarde
De opdrachtgever hecht geen waarde aan bovengenoemde rapporten. Ze zijn afkomstig van werknemers van de holding waartoe de aannemer behoort. De onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van de rapporten kun je hierdoor niet waarborgen. Het onderzoeksbureau is in zijn optiek geen specialist. De arbiters wijzen erop dat ze over de benodigde technische kennis beschikken om de rapporten inhoudelijk te beoordelen. Die wijzen ze dan ook niet, zoals de opdrachtgever verzoekt, op voorhand af.

Beide partijen zijn het erover eens dat op de destijds gesloten overeenkomst het Bouwbesluit 1992 met de daarin opgenomen verwijzing naar NEN 6068 van toepassing is.
Artikel 232 lid 2 van dit Bouwbesluit luidt als volgt:
‘De in NEN 6068 bedoelde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een brandcompartiment en een andere besloten ruimte, niet zijnde een toiletruimte of badruimte die is gelegen in hetzelfde gebouw als waarvan het brandcompartiment deel uitmaakt, moet, ter beperking van uitbreiding van brand, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste 60 minuten zijn.’
Ook de artikelen 6.3 en 7.3.1 handelen over deze kwestie.

Conclusie
De aannemer meent dat de wet- en regelgeving geen directe eis stelt aan de brandwerendheid. Wel aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen brandcompartimenten. Dit blijkt volgens hem uit het hierboven geciteerde artikel 232 lid 2 van het Bouwbesluit. Uit dit artikel blijkt concreet dat tussen twee brandcompartimenten in het betreffende kantoorgebouw een eis geldt van 60 minuten aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. De gerealiseerde weerstand is een combinatie van de brandwerendheid en de afstand tussen twee brandcompartimenten. Verder blijkt uit artikel 7.2.1. dat aan geveldelen geen eis hoger dan 30 minuten brandwerendheid gesteld hoeft te worden. Met andere woorden met geveldelen met een brandwerendheid van 30 minuten realiseer je een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van minimaal 60 minuten.

De arbiters menen dat de opdrachtgever de hierboven weergegeven stelling van de aannemer onvoldoende betwist. Ook diens deskundige is onvoldoende ingegaan op de hier geciteerde NEN-normen. Daarnaast vinden de arbiters het belangrijk dat de door de aannemer vervaardigde tekeningen in het bijzijn van de opdrachtgever, diens architect en adviseur en de hoofdaannemer, met de gemeente en de brandweer zijn besproken en door deze twee partijen zijn goedgekeurd. Op een later tijdstip heeft vervolgens een hercontrole plaatsgevonden waarbij duidelijk werd dat aan alle voorwaarden was voldaan. De aannemer heeft ook geen fout in het ontwerp gemaakt. De vorderingen van de opdrachtgever wijzen de arbiters af. Hierdoor draait deze op voor de proceskosten alsmede voor een tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van de aannemer.

Geschilnummer: 31.288

Tekst: Paulien Ruitenbeek, Illustratie: Pennestreek

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.