Ga naar hoofdinhoud

Bouwplannen gemeenten zijn levensgevaarlijk

Op de stadhuizen en de provinciekantoren is een bouwwoede losgebarsten. De wethouders en de gedeputeerden beramen plannen om er vele honderden miljoenen tegenaan te klappen. Ze zeggen dat ze de economische crisis willen bestrijden met bouwfondsen, isolatieprogramma’s en het uitkopen van wankelende projectontwikkelaars.

De bedoelingen zijn nobel, maar voorzichtigheid is op zijn plaats. In de eerste plaats is het opvallend hoeveel geld de gemeenten en provincies plotseling op de plank leggen. Noord-Brabant toverde gisteren een bedrag tevoorschijn van vierhonderd miljoen euro. De stad Den Haag heeft 94 miljoen beschikbaar. Rotterdam reserveerde eerder al 200 miljoen. Ook veel kleine steden en plattelandsgemeenten blijken opeens een investeringsfonds te kunnen opzetten. Hoe komen zij aan zoveel geld?

Kerntaak
Het op gang houden van de bouwproductie is helemaal hun kerntaak niet. Kennelijk hebben zij in het verleden te veel belastingen geheven. Daar zit voor gemeentebestuurders ook de ongerustheid. Stort de lokale onroerend goedmarkt in, dan vallen ook de inkomsten uit onroerende zaakbelasting terug. De afgelopen jaren liep de belastingopbrengst fors op, doordat de huizenmarkt floreerde. Daaraan is resoluut een einde gekomen.

Gevaar
Tegelijkertijd ontstaat een nieuw gevaar. Er staan momenteel al heel veel huizen te koop. Door bouwvakkers aan het werk te zetten met gemeenschapsgeld, behoren straks ook duizenden nieuwbouwwoningen tot de incourante voorraad.

Kan iemand uitleggen waarom een provincie geld moet steken in de ontwikkeling van een elektrische auto, zoals Noord-Brabant van plan is? Onder de vlag van groen en duurzaam dreigt gemeenschapsgeld te worden misbruikt voor projecten die op de markt kansloos zijn.

Ook dreigt concurrentievervalsing. Wethouders roepen dat ze de plaatselijke werkgelegenheid willen redden. Ze mogen echter geen ‘eigen bouwvakkers eerst’-beleid voeren. Elk substantieel bouwproject van de overheid moet openstaan voor inschrijving door aannemers uit alle Europese lidstaten.

Instorten
Gemeenten en provincies rollen nu over elkaar heen met bouwprojecten. Dit kan ontaarden in een poel van fraude en bedrog, zo leert de geschiedenis. Tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-1977) stortte de huizenmarkt ook in elkaar.

Het was toen de rijksoverheid die de bouwnijverheid te hulp schoot met subsidies voor de sociale woningbouw en het omzetten van koop- naar huurwoningen. Ruim tien jaar later werd een parlementaire enquête gehouden naar de financiële misstanden die daarvan het gevolg waren. In de marge van de stimuleringspolitiek ontstonden duistere gewoontes als hypotheekkortingen voor politici; aannemers die ambtenaren trakteerden op bordeelbezoek en toezichthouders die met projectontwikkelaars snoepreisjes mochten maken.

Iedereen roep foei en schande. Het ministerie van Volkshuisvesting had vervolgens bijna tien jaar nodig om zich te verlossen van de financiële molensteen van miljardenleningen en subsidietoezeggingen. Al die regionale politieke grootheden die nu surfen op de mediahype van de recessie zouden zich eerst eens moeten verdiepen in de toenmalige enquêterapporten.

Bron: Elsevier.nl

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.