Ga naar hoofdinhoud

15 meter vluchten binnen de woning

Afstandeis leidt tot problemen

De eisen die het Bouwbesluit 2003 kent voor het vluchten binnen de woning zijn strenger dan voor de invoering van het Bouwbesluit in 1992, met name vanwege de vluchtafstand van maximaal 15 meter. De beloofde grotere ontwerpvrijheid is lang niet altijd aanwezig. In de praktijk leidt het voorschrift veelvuldig tot problemen. Ook het aantonen van gelijkwaardigheid van andere oplossingen is lastig.

Uitgangspunt van het Bouwbesluit is dat de materiële betekenis van voorschriften hetzelfde is als die van de voorschriften vóór de invoering van het Bouwbesluit in 1992. Dit met uitzondering van bewust beleid. Voor vluchten binnen een woning waren desondanks toch zwaardere eisen opgenomen, zo blijkt onder meer uit de Evaluatienota Woningwet en Bouwbesluit (kamerstukken II, 1996/1997, 25 000 XI, nr. 39, met bijbehorende uitvoerige rapportage).

Met name woningcorporaties en de Vereniging Eigen Huis hebben dan ook aangedrongen op het schrappen van de nieuwe voorschriften die waren neergelegd in artikel 15 van het Bouwbesluit. De Directie Brandweer van het ministerie van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties daarentegen wilde in het Bouwbesluit 2003 juist vasthouden aan de in 1992 verkregen veiligheid. Ook deze Directie had echter niet de intentie nog hogere eisen te stellen. Desondanks leiden de nieuwe regels in het Bouwbesluit 2003 soms toch tot te stringente eisen.

Onbenoemde ruimte
Al bij de ontwikkeling van de voorschriften voor het Bouwbesluit 2003 hebben belanghebbenden aangegeven dat de vluchtafstand van maximaal 15 m (zie kader) wel erg krap is gesteld en in de praktijk veelvuldig zal worden overschreden. Het ministerie van VROM heeft deze kritiek weggewuifd. De praktijk bewijst echter het gelijk van de belanghebbenden. Zodra een eengezinswoning op zolder een slaapkamer of een studeerkamer heeft, rijst een probleem. Ook andere plattegronden geven in de praktijk problemen. De beloofde grotere ontwerpvrijheid blijkt dus lang niet altijd aanwezig.

Door diverse architecten en opdrachtgevers wordt dan soms naar een oneigenlijke oplossing gezocht, zoals het benoemen van de zolder als een onbenoemde ruimte of het invoeren van de benaming overige gebruiksfunctie voor de zolder. De zolder wordt dan echter zodanig ingericht dat deze geheel voldoet aan de voorschriften die voor een verblijfsruimte gelden, met uitzondering van de voorzieningen in het kader van brandveiligheid en de vluchtproblematiek die gelden binnen de woning. Mogelijke kopers of huurders gaan er vanuit dat deze woning voldoet aan alle eisen, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. Gemeenten hebben alleen het uiterste middel van artikel 59 van de Woningwet om hiertegen op te treden. Dit is het achteraf intrekken van de bouwvergunning. De motivering daarvan zal niet meevallen omdat er niet is gebouwd in strijd met de vergunning en er is voldaan aan de eisen die voor een bestaande verblijfsruimte in een woning gelden. Het voorschrift is dus ‘fraudegevoelig’.

Wat geldt er dan als uitgang van het brandcompartiment? De deur tussen woning en garage of de deur van de garage naar buiten?Wat geldt er dan als uitgang van het brandcompartiment? De deur tussen woning en garage of de deur van de garage naar buiten?

Niet helder
Wanneer niet aan de prestatie-eisen wordt voldaan, rest het gelijkwaardigheidsbeginsel (artikel 1.5) van het Bouwbesluit 2003. Dan moet worden aangetoond dat de gekozen bouwkundige oplossing ten minste in dezelfde mate voldoet aan het doel van het voorschrift als met de prestatie-eis wordt gerealiseerd. De functionele eis, neergelegd in het eerste lid van artikel 2.145 van het Bouwbesluit 2003, geeft de bedoeling van de wetgever echter onvoldoende helder weer. De weergegeven prestatie-eis is zowel van toepassing op bijvoorbeeld een woning met een kamer en suite als op een traditioneel woningontwerp waarbij elke ruimte aansluit op een ruimte waardoor uitsluitend een verkeersroute voert (niet aan te duiden als verkeersruimte omdat dat leidt tot een conflict met de nieuw ingevoerde definitie van een verblijfsgebied) en vervolgens via andere ruimten met een verkeersroute naar een uitgang van de woning (niet te verwarren met woonfunctie).

Werkelijke prestatie
Een brand kan in elke ruimte van de woning ontstaan. Een brand in de ruimte waar een persoon zich bevindt, zal door die persoon zelf worden ontdekt, tenzij de persoon bijvoorbeeld al rokend in slaap is gevallen. Is er geen persoon in de ruimte, dan zal de beginnende brand worden ontdekt zodra de rook de rookmelder bereikt. Daarbij zijn verschillende situaties te onderscheiden. Bij een kamer en suite zal dat heel snel het geval zijn omdat de rookmelder hangt in de ruimte waar de brand zich ontwikkelt. Gaat het om een brand in de meterruimte, dan zal de rookmelder in de aangrenzende ruimte waar normaal een verkeersroute door voert, ook snel aanslaan omdat de rook uit de meterruimte door de ventilatiespleet boven de deur zeer snel de rookmelder in werking zal stellen. Gaat het om een brand in een verblijfsruimte die grenst aan een overloop of gang, dan zal de rookmelder in de aangrenzende ruimte afgaan zodra de rook via de ventilatieopening tussen die verblijfsruimte naar die overloop of gang stroomt. Dat zal vaak al het geval zijn voordat vlamoverslag in de verblijfsruimte plaatsvindt.

Hoe snel het geluid van een rookmelder met een geluiddrukniveau van 85 dB(A) hoorbaar zal zijn is afhankelijk van welke rookmelder er aanslaat en de plaats waar de dichtstbijzijnde persoon zich bevindt. Er mag er daarbij van worden uitgegaan dat in de woonsituatie de eerste persoon die het alarm hoort de anderen zal waarschuwen. In veel gevallen zal er slechts één deur zich bevinden tussen de ruimte met de rookmelder en de ruimte met een persoon. Soms zijn er twee of meer deuren aanwezig tussen de ruimte waarin de rookmelder afgaat en de ruimte waarin de dichtstbijzijnde persoon zich bevindt. In een woning zullen echter ook geregeld deuren open staan.

Bij een brand in de meterruimte zal rook via de ventilatieopeningen heel snel de rookmelder in werking stellen.Bij een brand in de meterruimte zal rook via de ventilatieopeningen heel snel de rookmelder in werking stellen.

Onduidelijke basis
Er zijn dus verschillende praktische situaties denkbaar waarbij het voorschrift leidt tot een verschil in werkelijke prestatie. Daarmee is dus onduidelijk wat nu de basis van de gelijkwaardige oplossing moet zijn als de loopafstand tussen de uitgang van een verblijfsruimte en een uitgang van de woning (=brandcompartiment of subbrandcompartiment) groter is dan 15 m.

De onduidelijkheid wordt nog vergroot als de woning grenst aan een ruimte, geen brandcompartiment zijnde (garage of buitenbergruimte bij een woning). Immers, tussen de woning en de garage of buitenbergruimte respectievelijk tussen de garage of buitenbergruimte en de woning geldt geen wbdbo-eis. Wat geldt er dan als uitgang van het brandcompartiment? Is dat de deur tussen de woning en de garage of buitenbergruimte of de deur van de garage of bergruimte die leidt naar het aansluitende terrein.

Gelijkwaardigheid
Deze onduidelijkheden maken het moeilijk om tot een beoordeling van een gelijkwaardige situatie te komen; dit te meer daar de functionele eis geen onderscheidend vermogen heeft. De Werkgroep Gelijkwaardigheid van de Vereniging Stadswerk kiest ervoor om in èlke ruimte een rookmelder te hangen en de rookmelders te koppelen, zodat bij het afgaan van één rookmelder alle rookmelders afgaan. Tevens is bepaald dat die vorenbedoelde route dan maximaal 25 m lang mag zijn. Deze oplossing wordt door veel gemeenten erkend als gelijkwaardig, maar leidt in lang niet alle gevallen tot een gelijkwaardige veiligheid in de hiervoor beschreven verschillende situaties. Bij een kamer en suite leidt dit niet tot een verbetering van de veiligheid en is een toegestane looproute van bijvoorbeeld 25 m dus een verlening van ontheffing van het voorschrift, hetgeen op grond van de Woningwet niet is toegestaan. Dat geldt ook bij een brand in de meterruimte.

Tevens is het niet ondenkbaar dat deze oplossing leidt tot veel valse meldingen, waarna bewoners de rookmelders zullen afzetten en er dus sprake is van een grotere onveiligheid. De vraag is ook hoe noodzakelijk deze koppeling is. Tussen een gang en overloop en een verblijfsruimte binnen een woning geldt geen geluidsisolatie-eis. Een geluidssignaal met een geluiddrukniveau van 85 dB(A) op de gang of overloop zal personen in aangrenzende ruimte echt wel wakker doen schrikken. Het generiek voorschrijven van gekoppelde melders zal in een aantal gevallen dan ook tot een niet-noodzakelijke investering kunnen leiden.

Zodra een eengezinswoning op zolder een slaapkamer of een studeerkamer heeft, rijst een probleem met de maximale loopafstand van 15 meter.Zodra een eengezinswoning op zolder een slaapkamer of een studeerkamer heeft, rijst een probleem met de maximale loopafstand van 15 meter.

Rookverspreiding
De motivering die aan deze uitspraak ten grondslag ligt, is overigens wetenschappelijk ook niet goed verdedigbaar. Binnen een woning geldt sinds 1 januari 2003 niet langer een wbdbo-eis. Het is daarom niet zonder meer mogelijk om voor de toelaatbare loopafstand een vergelijking te maken met een situatie waarin wel een wbdbo-eis geldt naar een ruimte, zoals door de werkgroep gedaan. Bovendien wordt een melding nagestreefd die bij bepaalde ontwerpen leidt tot een moment van vluchten dat er nog in het geheel geen sprake is van rook in de route waarlangs wordt ontkomen. Waarom geldt er dan een beperking van 25 m? Dat is een onnodige aanscherping van het voorschrift. Het onderscheid tussen rookverspreiding en het moment van vlamoverslag is, althans in de motivering, niet goed onderkend.

Enige oplossing
Gemeenten en brandweer interpreteren de gelijkwaardigheidsuitspraak veelal onterecht als enige oplossing zodra niet aan de prestatie-eis van het Bouwbesluit 2003 is voldaan. Een gelijkwaardigheidsuitspraak vereist echter maatwerk. Per ontwerp moet worden bezien of de voorziene oplossing leidt tot eenzelfde mate van veiligheid als de mate van veiligheid waarin de prestatie-eis voorziet. Dat hoeft lang niet altijd de oplossing te zijn die is beschreven door de Werkgroep gelijkwaardigheid. Gegeven de geschiedenis van het voorschrift en de uitleg die van de zijde van VROM tijdens de diverse overleggen over het voorschrift zijn gegeven, zal het voldoen aan het oude artikel 15 nog altijd tot de beoogde veiligheid leiden. In de motivering van de Werkgroep gelijkwaardigheid daarentegen is gesteld dat het nieuwe voorschrift leidt tot minder slachtoffers dan het oude voorschrift (overigens niet nader onderbouwd). Dat komt dus niet overeen met de stelling dat de oude oplossing ook is toegestaan.

Voorschriften Bouwbesluit 2003

Artikel 2.145
1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat een rookcompartiment en een subbrandcompartiment voldoende snel en veilig kunnen worden verlaten.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.145.1 en tabel 2.145.2 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
Artikel 2.146 (1)
6. De loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment waarin die ruimte ligt, is ten hoogste 15 m.
7. Een toegang als bedoeld in het zesde lid, van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte, is een toegang van een brandcompartiment of een subbrandcompartiment, of ter plaatse van die toegang begint een route naar de (2) toegang van een brandcompartiment of een subbrandcompartiment. Een besloten ruimte op die route heeft een niet-ioniserende rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555.
1 Overal waar ‘toegang’ is geschreven moet ‘uitgang’ worden gelezen.’
2 Dit zou ‘een’ moeten zijn.

Onderzoek
Alvorens tot generieke uitspraken te komen zou het verstandig zijn om via computersimulaties de rookverspreiding in beeld te brengen. Een programma als het TNO VESTA model zou daarbij goede diensten kunnen bewijzen. Onderscheid is te maken in optische rookmelders en thermische melders. In NEN 2555 wordt gedoeld op optische melders. Voor ruimten waarin rook ontstaat (mensen die roken of woonactiviteiten die leiden tot rook, zoals koken), zijn dergelijke melders niet de aangewezen oplossing. Wel geschikt zijn thermodifferentiaal/maximaal melders, multicriteriummelders met rookmelderelement en thermodifferentiaal/maximaal-
melderelement, waarbij het algoritme en de gevoeligheid afstembaar zijn op de betreffende ruimte. De uitspraak zou bovendien gebaseerd moeten zijn op gedragswetenschappelijke kennis. Het gaat binnen een woning om een situatie waarmee de gebruikers bekend zijn zodat zij op de tast de uitgang kunnen vinden zonder hulp van derden.

Tekst: Dr.ir. N.P.M. Scholten

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.