Ga naar hoofdinhoud

Basisregels voor brandveilig ontwerpen

Voorkom wijzigingen achteraf

Brandveilig ontwerpen is geen gemakkelijke opgave. In de praktijk voldoen sommige gebouwontwerpen op fundamentele punten niet en zijn ingrijpende wijzigingen nodig. Daarom een aantal basisregels op een rij.

Vanuit een woning in een woongebouw moeten bewoners in principe altijd twee richtingen op kunnen vluchten. De reden hiervoor is uiteraard dat bij brand in een woning niet noodzakelijkerwijs langs diezelfde woning moet worden gevlucht. In een corridor- of galerijflat moet dus aan beide uiteinden een vluchttrappenhuis worden aangebracht. Slechts bij uitzondering mogen gedeelten van vluchtroutes samenvallen. Voorbeelden hiervan zijn een portiekflat, of indien aan het samenvallende gedeelte slechts twee woningen grenzen en de deuren van deze woningen tegenover elkaar liggen (zie figuren 1 en 2).

Utiliteitsgebouw
Net als bij een woning, moeten mensen ook vanuit een kantoorgebouw of school in twee richtingen kunnen vluchten. Dit is niet vereist vanuit iedere ruimte (een klaslokaal mag aan een doodlopende gang gesitueerd zijn), maar wel na het verlaten van een rookcompartiment (maximaal uitbreidingsgebied voor rook). In principe moet bij de toegang daarvan in twee richtingen kunnen worden gevlucht. Het is echter ook mogelijk om het rookcompartiment zelf van twee uitgangen te voorzien (zie figuur 3). De vluchtroutes die vanaf daar beginnen, mogen dan nergens meer samenvallen, maar moeten onderling ten minste dertig minuten brandwerend gescheiden zijn. Alleen bij uitzondering mag met één vluchtroute worden volstaan (klein aantal personen).
Veiligheid van personen staat voorop bij brandveilig ontwerpen.Veiligheid van personen staat voorop bij brandveilig ontwerpen.

Brandoverslag
Om brandoverslag tussen boven elkaar gelegen brandcompartimenten te voorkomen, moet de verticale afstand tussen gevelopeningen voldoende groot zijn. Veelal wordt gedacht dat bij een afstand van meer dan 0,8 m zonder meer aan de regels wordt voldaan. Volgens het Bouwbesluit moet de benodigde afstand echter worden gecontroleerd conform NEN 6068. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijke geometrie van de ruimte en de gevelopeningen. Er wordt een brand gesimuleerd waarbij onder andere de temperatuur en de vlamlengte afhangen van deze geometrie. De straling die als gevolg van de brand op een gevelopening valt, bepaalt de weerstand tegen brandoverslag. Omdat de hoogte van de straling per situatie verschilt, is er dus geen scherpe waarde te geven waarbij altijd zal worden voldaan.

Ook bij brandoverslag tussen tegenover elkaar gelegen brandcompartimenten is geen minimale afstand te geven waarbij altijd wordt voldaan. Wel is er een afstand te geven waarbij in ieder geval níet wordt voldaan. Indien de horizontale afstand tussen de gevels van de compartimenten minder dan 5 m bedraagt, is een berekening niet mogelijk, zodat de gehele gevel (inclusief ramen en deuren) brandwerend moeten worden uitgevoerd. Om reden van spiegelsymmetrie moet een gevel op een afstand van minder dan 2,5 m tot de perceelgrens dus brandwerend worden uitgevoerd (figuur 4). Na het van kracht worden van de nieuwe NEN 6068 (volgend jaar verwacht) is deze afstand overigens soms wel kleiner dan 5 m (afhankelijk van de raamhoogte). (Zie ook Bouwwereld 15, 2004)

Dertig minuten
Indien voor de situaties uit berekeningen van de brandoverslag blijkt dat de straling op een gevelopening te hoog is, zal de gevelopening brandwerend moeten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door toepassing van brandwerende beglazing. De vereiste brandwerendheid van deze beglazing hoeft niet gelijk te zijn aan de vereiste wbdbo. Immers, volgens de definitie in de NEN 6068 heeft een opening een brandwerendheid van minder dan dertig minuten. Indien een gevelopening dertig minuten brandwerend wordt uitgevoerd, is deze volgens de norm dus geen opening meer. Er komt dus geen straling meer uit de opening of (omgekeerd) invallende straling vormt geen bedreiging. Indien tussen twee compartimenten niet wordt voldaan aan het stralingscriterium, hoeft dus slechts in één gevel ten minste dertig minuten brandwerende beglazing te worden toegepast (figuur 5).

Smalle vides
Steeds vaker worden in gebouwen kleine atria of vides aangebracht. Een voorbeeld hiervan is een woongebouw waarbij in de vloeren van de corridors vides zijn aangebracht. De verschillende bouwlagen vormen hierdoor één brandcompartiment, dat mogelijk groter is dan 1.000 m2. Vaak wordt in dit soort situaties geroepen dat een rook- en warmte- afvoer moet worden aangebracht. De rook kan dan wegstromen waardoor de vide als niet-besloten ruimte zou kunnen worden aangemerkt en niet in een brandcompartiment hoeft te liggen. Bij kleine vides is dit echter helemaal niet mogelijk. Indien de rookpluim groter is dan de vide, zal de rook niet voldoende kunnen wegstromen zodat niet het gewenste effect optreedt (figuur 6). Er zal dus, afhankelijk van de situatie, naar een andere gelijkwaardige oplossing gezocht moeten worden.

Tekst: ir. B. kersten (Lichtveld Buis & Partners BV)
Beeld: LBP en Carla Debets

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.