Ga naar hoofdinhoud

Buitenlucht versus niet-besloten ruimte

Verwarring over begrippen

In de praktijk blijkt er verwarring te zijn tussen de termen niet-besloten ruimte en buitenlucht. Dit geldt met name voor atria en tweedehuid-gevels. Bij uitbreiding van brand via buitenlucht gelden de regels voor brandoverslag. De discussie over het al dan niet besloten zijn van deze ruimtes is alleen relevant voor ruimtes waardoor wordt gevlucht.

NEN 6068 stelt dat ‘brandoverslag’ de uitbreiding is van brand van een ruimte naar een andere ruimte uitsluitend via de buitenlucht. In alle andere situaties is sprake van branddoorslag. De term buitenlucht is echter niet nader aangeduid. Bij een constructie met een tweede huid of een gevelopening grenzend aan een atrium – waarbij een brandruimte van een (sub)brandcompartiment grenst aan een hoge andere ruimte – zal er bij brand uiteindelijk sprake zijn van uitslaande vlammen en moet dus altijd worden gerekend met de weerstand tegen brandoverslag, in plaats van met de weerstand tegen branddoorslag. Dat betekent dat er geen brandwerendheidseisen gelden tussen de brandruimten en het atrium/de tweede huid en dat er rookverspreiding en uitslaande vlammen ontstaan via ‘gevelopeningen’ (delen met een brandwerendheid kleiner dan 30 minuten).

Vlamlichaam
Voor het bepalen van de weerstand tegen brandoverslag moet worden bezien of het in NEN 6068 berekende vlamlichaam van de uitslaande brand in negatieve zin wordt beïnvloed. Dat zal naar verwachting het geval zijn als de afstand tussen de gevelopening in de brandruimte van het (sub)brandcompartiment en de ‘tweede huid’ minder is dan driemaal de volgens NEN 6068 berekende vlamdikte. Daardoor wordt de luchttoevoer naar de brandruimte gehinderd en is het berekende vlamlichaam niet meer juist. Bij heel kleine afstanden zal het vlamlichaam niet meer vrij kunnen afbuigen.

Wanneer het vlamlichaam negatief wordt beïnvloedt en daardoor de kans op brandoverslag groter wordt, mag NEN 6068 niet zonder meer worden toegepast. Dan moet op basis van het gelijkwaardigheidsbeginsel worden nagegaan of wordt voldaan aan de eisen van weerstand tegen brandoverslag. Met computersimulaties (CFD-berekeningen) kan van minuut tot minuut worden bepaald wat zich in de praktijk zal voordoen, welke rookstromen en temperaturen er optreden en wanneer het ‘fout’ gaat. Ook zal via computersimulatie kunnen worden nagegaan wat het vlamlichaam uit het brandende compartiment zal zijn en welke stralingswarmte er optreedt.

Grenzend aan een hoge ruimte zal er altijd sprake zijn van uitslaande vlammen, en daarmee van de regels voor brandoverslag.Grenzend aan een hoge ruimte zal er altijd sprake zijn van uitslaande vlammen, en daarmee van de regels voor brandoverslag.

Brandverloop
Een aandachtspunt bij het verloop van een brand is het opstijgen van hete rookgassen. Deze zullen onder het dak uitzakken. Ze mogen echter niet zover zakken dat daaronder gelegen ramen van andere (sub)brandcompartimenten bezwijken. De rook moet daarom via een RWA-systeem (rook-warmte-afvoer) worden afgevoerd.

Van belang is ook het al dan niet bezwijken van de tweede huid. Bij een brand zal op een gegeven moment de ruit van de ‘binnengevel’ bezwijken. Hete rookgassen zullen vervolgens uitstromen en de ‘spouw’ zal zich vullen met hete rookgassen. Afhankelijk van de spouw-afmetingen zullen de nabij de brandhaard gelegen ramen van de tweede huid bezwijken. Ook zullen de hete rookgassen opstijgen in de spouw en er toe kunnen leiden dat hoger gelegen ruiten van de tweede huid bezwijken. Hoe snel zich dat voordoet is afhankelijk van het soort glas dat is toegepast. Enkelbladig floatglas zal bezwijken bij een temperatuur van 150 °C en bij een temperatuurstijging van meer dan 100 °C/min. Voor andere glassoorten gelden andere waarden. In deze tijd moeten de ruiten van de hoger gelegen (sub)brandcompartimenten in stand blijven om branduitbreiding te voorkomen. Zodra de tweede huid is bezweken – terwijl de ruiten van de bovenliggende (sub)brandcompartimenten in stand zijn gebleven – gelden weer de ‘normale’ regels van brandoverslag volgens NEN 6068.

Brand in het Atrium

Een atrium kan zelf ook een brandhaard bevatten. Dat zal leiden tot een brand waarvan vlammen en rook in het atrium opstijgen. Voor het vluchten door het atrium gelden de criteria voor niet-besloten ruimtes. Voor het bepalen van het risico van brandoverslag kan gebruik worden gemaakt van CFD-berekeningen (computersimulaties).
De stralingswarmte op gevelopeningen (als bedoeld in NEN 6068) van een (sub)brandcompartiment mag niet groter worden dan 15 kW/m? en hete rookpluimen mogen niet leiden tot branduitbreiding door het bezwijken van gevelopeningen van een hoger gelegen (sub)brandcompartiment als gevolg van hitte of te snelle opwarming. Verder moet worden voorkomen dat er secundaire brandhaarden ontstaan in het atrium, wat het geval kan zijn als rook met temperaturen van 150 °C of meer langs brandbare objecten stroomt.
Het atrium zal veelal een brandcompartiment zijn dat in de praktijk ook groter kan zijn dan 1.000 m?. Dat hoeft in het geheel geen probleem te zijn zolang met behulp van afdeling 2.22 van het Bouwbesluit 2003 wordt aangetoond dat branduitbreiding wordt voorkomen en er veilig door kan worden gevlucht.

Het al dan niet besloten zijn van een ruimte is afhankelijk van de hoeveelheid lucht die wordt toe- en afgevoerd.Het al dan niet besloten zijn van een ruimte is afhankelijk van de hoeveelheid lucht die wordt toe- en afgevoerd.

Niet te verbieden
In het voorbeeld is uitgegaan van het bezwijken van het glas van de tweede huid. Dat is aanzienlijk goedkoper dan een brandwerende gevel ter plaatse van de brandruimten en is ook esthetisch een betere keus. Mag een brandweer met aanvullende eisen, zoals een verbod op vallend glas, dit scenario verbieden dat volgens het Bouwbesluit 2003 toegestaan is? Het Bouwbesluit 2003 stelt namelijk geen criteria ten aanzien van het vallen van onderdelen zoals hete druppels of brokken glas. Artikel 2 van de Woningwet leert echter dat het Bouwbesluit 2003 een uitputtende regeling is en de gemeente en de brandweer niet bevoegd zijn eigen voorschriften daar aan toe te voegen. Artikel 44 van de Woningwet laat zien dat een bouwvergunning moet worden verleend indien aan de in dit artikel genoemde criteria is voldaan. Wat betreft bouwtechnische eisen mag alleen worden getoetst aan het Bouw- besluit 2003. Aanvullende criteria van de brandweer spelen dan ook geen rol bij de boordeling in het kader van de bouwaanvraag.

Ook op grond van de Arbeidsomstandig-hedenwet mogen geen aanvullende eisen worden gesteld. Artikel 12 van de Brandweerwet 1985 bepaalt namelijk dat de brandweer geen verordening kan vaststellen voor zaken waarvoor op grond van de Woningwet of enige andere wet al brandveiligheidseisen gelden met betrekking tot het voorkomen, beperken of bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar of het beperken van ongevallen bij brand.

Mag een brandweer zonder gedegen motivering bovenbedoelde berekening terzijde schuiven en voorschrijven dat ruiten van (sub)brandcompartimenten in de beschreven situaties altijd 30 minuten brandwerend moeten zijn? Ook dat is niet toegestaan. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht zal een weigering van de bouwvergunning terdege moeten zijn gemotiveerd door het bevoegde gezag. Ook de handhaver (gemeente en brandweer) zal zich moeten verdiepen in de achtergronden van de regelgeving en op basis van kennis tot een gedegen oordeel moeten komen.

Tekst: Dr.ir. N.P.M. Scholten

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.