Ga naar hoofdinhoud

Groter risico brandoverslag grote woonwagens

Aanvullende eisen bij ontheffing bestemmingsplan

Het Bouwbesluit 2003 is niet echt toegesneden op de grote woonwagens die thans worden geplaatst. Gemeenten mogen echter geen eisen stellen die van het Bouwbesluit 2003 afwijken. Omdat het plaatsen van die wagens veelal ook in strijd is met het bestemmingsplan of met de stedenbouwkundige voorschriften, kunnen brandveiligheidsaspecten alsnog op een afdoende wijze worden geregeld in de vrijstellingsprocedure.

Voor woonwagens golden tot 1 oktober 1992 de regels die waren gesteld op basis van de ‘Beschikking geldelijke steun ten behoeve van het bekostigen van de bewoning van een woonwagen’. Bij de inwerkingtreding van het Bouwbesluit in 1992 zijn de bouwtechnische voorschriften voor een woonwagen ongewijzigd opgegaan in dat besluit. Omdat wonen in een woonwagen op een standplaats is erkend als een volwaardige woonvorm voor een bepaalde doelgroep, zijn woonwagens waar mogelijk onder het reguliere volkshuisvestingsregime gebracht. Ze zijn daarmee ook zoveel mogelijk aan dezelfde voorschriften onderworpen als woningen.

De woonwagens van nu zijn echter veel groter dan de woonwagens van weleer. Het Bouwbesluit 2003 is niet aangepast aan deze feitelijke situatie. In de praktijk leidt dit tot de nodige vragen, met name als het gaat om de brandveiligheid. Moeten niet de voorschriften worden toegepast die gelden voor een gewone woning?

30 minuten
Voor een nieuw te bouwen woonwagen geldt op grond van paragraaf 2.13.1 van het Bouwbesluit 2003 een wbdbo-eis (weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag) van 30 minuten tussen twee woonwagens, bepaald volgens NEN 6068. Uitgangspunt bij de berekening is de fictieve situatie van een spiegelsymmetrische woonwagen op 5 meter afstand. Er mag niet worden getoetst aan de werkelijke situatie. Voor woningen met een vergelijkbare permanente vuurbelasting geldt de zwaardere eis van 60 minuten, waarbij spiegelsymmetrie ten opzichte van de perceelsgrens moet worden toegepast.

Dat de regels voor woonwagens afwijken heeft twee redenen. Allereerst moet een woonwagenbouwer de zekerheid hebben dat een eenmaal gebouwde prefabwagen aan de voorschriften voldoet zonder dat hij afhankelijk is van de precieze situering van de woonwagen op een woonwagenstandplaats. De tweede reden is dat het Bouwbesluit 2003 niet de situering van een woonwagen regelt. Dat gebeurt in het bestemmingsplan of in de stedenbouwkundige voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening. Traditioneel werden woonwagenlocaties zo ingericht dat woonwagens in paren van twee bij elkaar werden geplaatst en dat een relatief grote afstand aanwezig was tussen de daaropvolgende woonwagens. In die geaccepteerde situatie zijn bij een brand maximaal twee woonwagens betrokken.

Beperking brand
Voor een nieuw te plaatsen woonwagen geeft het Bouwbesluit 2003 nog voorschriften voor de beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie. Dat betreft eisen aan een stookplaats; brandveiligheid van een voorziening voor de afvoer van rook; onbrandbaarheid van materialen van een voorziening voor de afvoer van rook; niet-brandgevaarlijk dak. Ook gelden voorschriften voor de beperking van de ontwikkeling van een brand en het ontstaan van rook. Dat betreft een basiseis voor de klasse van de brandvoortplanting (klasse 4 voor constructiedelen, uitzondering klasse T3 voor vloeren) en een basiseis voor de rookproductie (rookdichtheid minder dan 10 m-1). Er zijn geen voorschriften gegeven voor bijvoorbeeld het veilig kunnen verlaten van een woonwagen. Een woonwagen heeft in beginsel zodanig kleine afmetingen dat zulke voorschriften weinig zullen opleveren.

Een wagenbouwer moet er zeker van zijn dat zijn wagens aan de bouwregels voldoen, onafhankelijk van de uiteindelijke plaatsingslocatie.Een wagenbouwer moet er zeker van zijn dat zijn wagens aan de bouwregels voldoen, onafhankelijk van de uiteindelijke plaatsingslocatie.

Bestaande wagens
De voorschriften voor een bestaande woonwagen zijn gegeven in de paragrafen bestaande bouw van het Bouwbesluit 2003 (woonfunctie van een woonwagen). Deze voorschriften hebben wat betreft de brandveiligheid van een woonwagen betrekking op de beperking van het ontstaan van een brand en op het beperken van de ontwikkeling van een brand en het ontstaan van rook. Er zijn voor bestaande woonwagens geen voorschriften gegeven met betrekking tot de beperking van de uitbreiding van brand.

Als een grote woonwagens is geplaatst zonder bouwvergunning, is de vraag of de bestaande situatie alsnog kan worden gelegaliseerd. Bouwtechnisch zal daarvoor moeten zijn voldaan aan de voorschriften van de paragrafen bestaande bouw van het Bouwbesluit 2003. De wetgever is namelijk van oordeel dat de voorschriften voor de bestaande bouw nog juist leiden tot een voldoende veilige situatie om het gebouw te mogen gebruiken. Als de gemeente hogere eisen wil stellen zal ze dat goed moeten motiveren. Vaste jurisprudentie leert dat wanneer een gemeente wil optreden tegen een bestaande situatie – ook al is deze zonder noodzakelijke vergunning gerealiseerd – altijd moet worden gemotiveerd waarom aan een hoger niveau moet worden voldaan dan geldt voor de bestaande bouw. In ieder geval mogen de eisen nooit hoger zijn dan nieuwbouwniveau.

Artikel 14 van de Woningwet geeft vier redenen aan waarom de gemeente tegen een bestaande woonwagen of een bestaande standplaats kan optreden:
– strijd met de voorschriften voor een bestaande woonwagen, gegeven in de paragrafen bestaande bouw van het Bouwbesluit 2003, die in uiterste instantie moet leiden tot een aanschrijving;
– strijd met de voorschriften voor nieuwe woonwagens, hoewel nog wel is voldaan aan de voorschriften voor een bestaande woonwagen; in dat geval kan een gemeente (preventief) aanschrijven, mits de noodzaak voor het treffen van voorzieningen terdege wordt gemotiveerd;
– onveiligheid of ongezondheid uit andere hoofde; in dat geval kan een gemeente (preventief) aanschrijven, mits de noodzaak voor het treffen van voorzieningen terdege wordt gemotiveerd;
– strijd met de voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening.

Net zo veilig
Op zich hoeven grote woonwagens qua brandveiligheid geen groot probleem te vormen. Vanuit brandveiligheid kunnen vraagtekens worden gezet bij de materialen die soms zijn gebruikt voor de afwerking van dak en gevels, de vloerbedekking, en bij de afstand tot buren. Die aspecten worden echter gecompenseerd door de brandvoortplantingsklasse van de gestucte wanden en plafonds; de elektrische installaties; de afwezigheid van open vuur in de keuken; het ontbreken van gasleidingen en gastoestellen; en de zorgvuldige afwerking van bouwconstructies en installaties. Op deze punten scoren woonwagens hoger dan bestaande woningen.

De bouwtechnische kwaliteit, het gebruik van de wagens en de toegankelijkheid voor de brandweer zijn veelal zodanig dat personen er net zo veilig zijn als gemiddeld in andere bestaande woningen en woongebouwen. Wel is de kans aanzienlijk dat een brand in één woonwagen leidt tot het in brand raken van één of twee direct ernaast opgestelde wagens, maar dat was bij het oude type woonwagens ook al het uitgangspunt van het Bouwbesluit (2003). De kans dat een geheel woonwagenkamp afbrandt, wordt voldoende klein geacht. In individuele gevallen kan er sprake zijn van een te grote mate van onveiligheid.

Bestemmingsplan
Om het niveau van brandveiligheid te verhogen tot het niveau van nieuwbouwwoningen heeft de gemeente nog het bestemmingsplan ter beschikking. In geval van strijdigheid met het bestemmingsplan kan de gemeente aanvullende eisen stellen alvorens tot vrijstelling over te gaan. Op basis van artikel 56 van de Woning-wet worden die eisen in de bouwvergunning opgenomen. Dat geldt ook bij legalisatie achteraf. Het is dan aan de eigenaar om te kiezen tussen het aanpassen van de woonwagen of het afbreken (weghalen) van zijn woonwagen wegens strijd met het bestemmingsplan. Wel moet worden bedacht dat het moeilijker wordt maatregelen af te dwingen naarmate er langer sprake is van gedogen.

De kans is aanzienlijk dat een brand in één woonwagen leidt tot het in brand raken van één of twee direct ernaast opgestelde wagens, maar dat was bij het oude type woonwagens ook al het uitgangspunt van het Bouwbesluit (2003).De kans is aanzienlijk dat een brand in één woonwagen leidt tot het in brand raken van één of twee direct ernaast opgestelde wagens, maar dat was bij het oude type woonwagens ook al het uitgangspunt van het Bouwbesluit (2003).

Bij het stellen van aanvullende eisen zijn drie risicoverhogende factoren van belang:
1. de kunststof (polyester) gevelbekleding met baksteenmotief;
2. de ramen in dicht tegenover elkaar staande gevels;
3. het soms ontbreken van een alternatieve vluchtroute.

Via de gevelbekleding en de ramen is er een grote kans op brandoverslag (domino-effect) bij woonwagens die dichter dan 5 meter bij elkaar staan. De kans op overslag via de gevelbekleding is onwaarschijnlijk als de gevelbekleding voldoet aan klasse 2 van de brandvoortplanting. Die klasse is volgens onderzoek bij TNO Bouw voor het betreffende product zeker haalbaar. De kans op een snelle brandoverslag via de ruiten kan sterk worden gereduceerd door in de ‘kwetsbare’ gevel(s) de ramen en kozijnen 30 minuten brandwerend te maken. Door daarbij het criterium thermische isolatie van kracht te verklaren, wordt ook overslag door warmtestraling effectief voorkomen. Om de brandwerendheid effectief te laten zijn, mogen de brandwerende ramen geen te openen delen bevatten. Als alternatief kunnen te openen delen worden voorzien van zelfsluitmechanismen waardoor zij in geval van brand in de woonwagen automatisch sluiten, zgn. ‘fire windows’.

Rookmelders
Bij de vereiste vrijstelling van het bestemmingsplan zou de gemeente voor woonwagens die dichter dan 5 meter bij elkaar staan, nog een rookmeldinstallatie kunnen voorschrijven volgens de specificatie van Bouwbesluit 2003, maar met bewaking in alle verblijfsruimten. Met name vanaf de verdiepingen van de grote woonwagens is de veilige ontvluchting in geval van brand namelijk niet vanzelfsprekend (de loopafstand tot de uitgang van een woonwagen is groter dan maximum in Bouwbesluit 2003 voor woningen).

Een praktisch alternatief voor de hiervoor genoemde aanvullende eisen om brandoverslag tegen te gaan, is het aanleggen van een automatische blusinstallatie op basis van zogenaamde woningsprinklers. Dit betreft een in vergelijking met klassieke sprinklersystemen vereenvoudigde installatie, die tegen beperkte installatiekosten kan worden aangelegd. De woningsprinklerinstallatie moet in staat worden geacht een beginnende brand te blussen of ten minste te beheersen totdat de brandweer het overneemt. Richtlijnen voor dimensionering en aanleg zijn te vinden in de NVBR-publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave december 2002.

Tekst: Dr.ir. N.P.M. Scholten

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Met deze wekelijkse nieuwsbrief blijf je op de hoogte van het laatste nieuws uit de bouwtechniek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.