Steeds meer partijen in de houtbranche voeren brandtesten uit op gevelhout en gevelvullende elementen van houtskeletbouw. In een podcast van Het Houtblad wordt dieper op dit onderwerp ingegaan. Zijn de regels strenger geworden, is het risico toegenomen, of speelt er iets anders?
Over brandveiligheid en brandgedrag in relatie tot hout spelen op dit moment zeker drie kwesties. Eén daarvan gaat over de brandbaarheid van hoge houten gebouwen die gemaakt zijn van CLT, waarover de NTA 6125 een uitspraak tracht te doen. Die kwestie komt nadrukkelijk niet aan bod in de podcast die Het Houtblad onlangs online bracht (HoutbouwCast 14: ‘Hoe zit het met de brandveiligheid van gevels?’).
Wel spraken de gasten, Niek van Dijk, senior projectleider, van het brandlaboratorium van Peutz en Jan Nijmeijer, manager kwaliteit & innovatie bij gevelspecialist Webo, uitgebreid over de twee andere kwesties.
De juiste brandklasse
Bouwmaterialen en gevelelementen worden ingedeeld in brandklassen, aangeduid met letters. A staat voor geheel onbrandbaar, een klasse die geen enkel biobased product haalt. Bouwmateriaal in brandklasse D mag onder bepaalde voorwaarden nog wel in een binnen- of buitengevelafwerking worden toegepast. Dit is echter de grens. Materiaal in hogere brandklassen, dat dus nóg sneller vlam vat, mag niet als gevelbekleding worden toegepast.
Testen hoefde vroeger niet
Tot 2024 werd bij de beoordeling van de brandklasse van een houtsoort uitgegaan van de materiaaleigenschappen van het natuurlijke materiaal. Van natuurlijk hout is immers het brandgedrag helder vast te stellen. Azobé vertoont bijvoorbeeld brandgedrag conform klasse B, fraké valt binnen D. De Europese Delegated Regulation 2016/364 bevatte een tabel met houtsoorten en hun brandklasse en de bepaling dat alles wat van dat materiaal gemaakt was ‘Without Further Testing’ geclassificeerd was. Producten van een bepaalde houtsoort hoefden daardoor niet apart getest te worden. Daarvan, zo legt Niek van Dijk in de podcast uit, is men in Europees verband teruggekomen: zodra hout een bewerking ondergaat (vingerlassen, thermisch verduurzamen, impregneren, coaten) veranderen de materiaaleigenschappen. Daarom moet hout nu wél getest worden om de juiste brandklasse vast te stellen.

Sterke toename aan testen en ontwikkelingen
Dit heeft geleid tot een sterke toename van testen op bewerkte houtsoorten. Daarbij was de conclusie regelmatig dat met name thermisch gemodificeerd hout niet meer in de D-klasse paste. Het heeft ook geleid tot een groeimarkt voor de verschillende methodes om hout brandvertragend te behandelen (impregneren, coaten, vatten in geleidend materiaal). Deze behandelingen kunnen ervoor zorgen dat het hout wél binnen de juiste klasse valt. Ook dat moet weer eerst getest worden. Een gecertificeerd laboratorium, zoals dat waar Van Dijk werkt, test op verschillende gestandaardiseerde manieren de materiaaleigenschappen en het brandgedrag van het hout.
Gevels dienen ook getest
Die tests gaan over de materialen, maar wat de gevels betreft is nog iets anders aan de hand. Het Besluit bouwwerken leefomgeving kent brandveiligheidsklassen voor verschillende gevelsituaties. Zo moet een gevel tot twee meter hoogte tenminste brandklasse B hebben. Op die manier wordt voorkomen dat een omvallende barbecue, een brandje in een prullenbak of een ander vuurtje op de begane grond opeens een huis in brand kan steken, legt Jan Nijmeijer uit. Dit test Van de Heuvel in een hoekopstelling: twee geveldelen in een hoek en daar wordt dan een brander op gezet.
Boven de twee meter geldt even een minder strenge brandklasse, maar daarbóven, waar het lastiger wordt voor de brandweer om snel ter plekke te zijn, dient de gevel weer tenminste klasse B te zijn. Eenzelfde voorschrift geldt ook voor gevels die zich zo dichtbij andere gevels bevinden dat die elkaar kunnen aansteken. En dan is er ook nog zoiets als branddoor- en overslag: een eenmaal brandend gevelelement moet niet gemakkelijk de daar boven liggende gevel aan kunnen steken.
Dit alles is materiaalonafhankelijk: álle gevels, hoe en waarvan ze ook gemaakt zijn, dienen aan deze voorschriften te voldoen. Door toegenomen veiligheidsbewustzijn en de nieuwe manier van kwaliteitsborging in de bouw (beluister daarvoor ook HoutbouwCast 3: Wkb en houtbouw) wordt hier steeds meer op gelet. Het is te begrijpen dat een gevel die van onbrandbare materialen wordt gemaakt sneller klaar is met de bewijslast dan een gevel van hout.

Testen ‘zoals in werkelijkheid toegepast’
Webo, het bedrijf van Jan Nijmeijer, is een timmerfabriek die kozijnen en in toenemende mate complete gevelsystemen in houtskeletbouw levert aan bouwprojecten. De timmerfabriek behaalde onlangs het recent ingevoerde KOMO-certificaat voor HSB-elementen voor hoogbouw. Het gaat om gebouwen van staal of beton, met prefab gevels die compleet afgewerkt worden aangeleverd en ingehesen. Een efficiënte, snelle en kostenbesparende manier van werken die steeds vaker wordt toegepast.
Ook als er niet voor hout aan de gevel gekozen is, maar bijvoorbeeld voor metalen platen of voor steenstrips, dient van zo’n prefab-element te worden aangetoond dat het aan de juiste brandklasse voldoet. En wel, zoals de wet voorschrijft, ‘op de manier zoals het wordt toegepast’. Er kan dus geen optelsom van alle samenstellende bouwonderdelen gemaakt worden. Het gevelelement in zijn geheel, zoals het aan de klant geleverd wordt, dient aan de juiste brandklasse te voldoen.
De hout- en timmerbranche emancipeert
Nijmeijer heeft daar geen enkel probleem mee. In de podcast wijst hij er op dat je als fabrikant en leverancier van zo’n kant-en-klaar gevelelement aansprakelijk bent – en ook wil zijn – voor je eigen product. Dat is ook de reden dat Webo zijn elementen niet volgens de minimale eisen laat testen, maar inclusief een dilatatievoeg, die je ook in de werkelijke bouw zou kunnen verwachten (vanwege de toleranties in met name de betonbouw).
Jan Maurits Schouten, de presentator van deze HoutbouwCast, concludeert dat de toename aan testen en de ophef over de brandveiligheid van houten gevelbekleding en geveldelen laten zien dat de branche zelfbewuster wordt. Houthandelaren zijn niet langer ‘schuivers van pakken hout’ en timmerfabrieken geen onderaannemers meer: de bedrijven nemen hun eigen verantwoordelijkheid voor hun product en de garanties die daar bij horen. Nijmeijer: ‘We moeten wel, niemand doet dit voor ons’.
Elke HoutbouwCast is te beluisteren via alle bekende podcast-platforms. De podcast is een initiatief van de redactie van Het Houtblad, in samenwerking met de Nederlandse Branchevereniging van Timmerfabrikanten en HoutbouwersNL.








