In veel dak- en gevelelementen zijn vochtregulerende folies verwerkt. Fouten in ontwerp of uitvoering hiervan kunnen aanzienlijke vochtschades veroorzaken. Cruciale spelregels worden dikwijls door onwetendheid overtreden. Dit artikel beschrijft de voornaamste spelregels van waterwerende en dampremmende folies.
Waterwerende folies
De primaire functie van waterwerende folies is het binnendringen van vocht van buitenaf tegengaan. Tijdens de bouwfase is dit van belang, maar ook tijdens de gebruiksfase vervult het waterwerend membraan een functie in de afvoer van water dat door de buitenste gevel- of dakafwerking is doorgedrongen (bijvoorbeeld stuifsneeuw of slagregen) of van water dat het gevolg is van condensatie tegen de achterzijde van de buitenafwerking (veelal als gevolg van onderkoeling).
Naast de waterendheid is van belang in welke mate de folie vocht in dampvorm vanuit binnenuit kan doorlaten. De dampdoorlatendheid wordt weergegeven in de dampdiffusieweerstand sd (hoe lager des te meer dampdoorlatend).
Er kunnen twee kwaliteiten worden onderscheiden:
- waterdicht dampopen (WDO): waterwerendheidsklasse = W1 (beste klasse) en de diffusieweerstand sd ≤ 0,2 m, (zeer) damp open. Dit zijn veelal niet-geperforeerde folies vervaardigd van een speciaal (gewapend) spinvlies.
- waterkerend dampdoorlatend (WKD): waterwerendheidsklasse = W1, W2 of W3 en de diffusieweerstand sd ≤ 3 m. Dit zijn de overige veelal geperforeerde kunststof folies.
Dampremmende folies
De primaire functie van dampremmende folies is het beperken van de toetreding van vocht dat van binnenuit in dampvorm de constructie kan binnendringen. Tevens kan een damfpremmende folie een belangrijke functie vervullen bij de luchtdichtheid van een constructie en het bevorderen van de droging van een constructie naar binnen.
Enkele veel voorkomende kwaliteitsklassen zijn:
- klasse E2, 5m ≤ sd ≤ 25 m. Dit zijn bijvoorbeeld PE- of PVC-foliën met afgedichte overlappingen.
- klasse E3, 25m ≤ sd ≤ 200 m. Dit zijn bijvoorbeeld bitumineuze lagen en aluminiumfoliën.
Invloedsfactoren
Het optreden van inwendige condensatie als gevolg van waterdamptransport door de bouwkundige constructie blijkt vaak het gevolg van een niet goed gekozen of onjuist toegepaste folie. Bepalend hierin is de verhouding tussen de dampdiffusieweerstand aan de buitenzijde en aan de binnenzijde van de constructie. De foliekeuze kan ook een rol spelen bij het risico van inwendige condensatie als gevolg van ingesloten bouwvocht.
Dakdoos
Een risicovolle constructie is bijvoorbeeld een geprefabriceerde dakdoos met een dampdichte afwerking (bijvoorbeeld PVC) aan de buitenzijde. Een dergelijke constructie kan alleen goed functioneren indien de dampremmende laag in de praktijk daadwerkelijk een grotere dampdiffusie-weerstand bezit dan de buitenafwerking.
Dit vereist dat:
- een kwalitatief zeer goede dampremmende laag aan de warme zijde van het isolatiemateriaal is gesitueerd;
- alle naden, aansluitingen en doorbrekingen van dampremmende laag van binnenuit zeer goed lucht- en dampdicht zijn afgewerkt;
- insluiting van (bouw)vocht tijdens de bouwfase wordt vermeden;
- het risico van doorbrekingen in de gebruiksfase niet aanwezig is.
Theoretisch kan een geïsoleerd houten element met dampdichte afwerking acceptabel functioneren, in de praktijk blijken er vaak onbeheersbare risico’s aanwezig. Deze risico’s zijn beheersbaar door te kiezen voor een alternatieve opbouw waarbij de dampremmende laag, de thermische isolatie en de dakbedekking op het paneel worden aangebracht.
Gevelelement
Bij geïsoleerde houten gevelelementen met geventileerde gevelafwerking is de goede luchtdichting van de constructie aan de binnenzijde in de praktijk een moeilijk beheersbare voorwaarde, waarmee bij de keuze van de waterwerende laag rekening dient te worden gehouden.
Om vochtschade door inwendige condensatie tegen te gaan, dient altijd uit te worden gegaan van een WDO-folie, bij voorkeur met een sd ≤ 0,10 m. Toepassing van ‘normale’ geperforeerde dampdoorlatende folietypen bieden in deze constructies onvoldoende veiligheid bij de in de praktijk nagenoeg altijd aanwezige luchtlekkages. Voor constructies met een ‘open’ gevelafwerking is het tevens van belang uit te gaan van een waterwerende folie die in voldoende mate UVbestendig is.
Verder zal bij woningen (of gebouwen met een vergelijkbaar klimaat) bij toepassing van plaatmateriaal altijd een dampremmende laag moeten worden toegepast (klasse E2). Bij een steenachtig binnenspouwblad is deze laag in de regel niet noodzakelijk.
Bouwvocht
Bij constructies met dampdichte afwerking – zoals geïsoleerde steenachtige dakconstructies – die tijdens de uitvoering vochtig kunnen worden en/of bouwvocht bevatten, kan een dampremmende laag tevens een belangrijke rol spelen bij het tegengaan van inwendige condensatie als gevolg van bouwvocht. Een dampremmende laag tussen steenachtig materiaal en isolatie zorgt er voor dat bouwvocht naar binnen toe verdwijnt en niet tot schade kan leiden door condensatie onder de dakbedekking. Bij het aanbrengen van de thermische isolatie en dakbedekking mag er vanzelfsprekend geen water op de dampremmende laag aanwezig zijn.
Gekoelde ruimtes
Bij geïsoleerde gevel- en dakconstructiesconstructies van gekoelde ruimten of ruimten met een hoge vochtbelasting kan er sprake zijn van damptransport dat van buiten naar binnen verloopt, waardoor juist aan de buitenzijde een dampremmende laag noodzakelijk kan zijn. Bij ruimten met een hoge vochtbelasting (bijvoorbeeld een zwembad) gelden er strenge eisen ten aanzien van de dampremmende laag. Voor beide typen ruimten zijn moeilijk standaardregels te geven. Gevel- en dakconstructies van gekoelde of bevochtigde ruimten verdienen dan ook nagenoeg altijd een beoordeling door een deskundige.
De spelregels
- Waterwerende folies toepassen aan de koude zijde van de thermische isolatie, dampremmende folies aan de warme zijde van de thermische isolatie.
- Bij constructies met een risico van toetreding van vocht van buitenaf bestaat, altijd uitgaan van zeer dampopen WDOfolies en kozijnslabben (bij voorkeur met sd ≤ 0,10 m).
- Bij gevels met een ‘open’ afwerking uitgaan van een waterwerende folie met een voldoende UV-bestendigheid.
- Constructies met een dampdichte afwerking aan de buitenzijde dienen aan de warme zijde van de thermische isolatie te zijn voorzien van een zeer goede dampremmende laag (klasse E3) waarvan alle naden, detaillering en doorbrekingen zeer zorgvuldig van binnenuit lucht- en dampdicht zijn afgewerkt.
- Gevel- en dakconstructies van ruimten met een hoge vochtbelasting (zwembaden, drukkerijen, etc.) of van ruimten met een lage ruimtetemperatuur (koelruimten en vriescellen) vereisen veel aandacht bij de materialisatie en uitvoering van de dampremming en luchtdichting. Raadplegen van een deskundige is hierbij raadzaam.










